Experimentele cantate
Badings en de vijftigers


ZELDEN kreeg een belangrijke kunst-manifestatie zulk een onhandige voorbereiding als de uitvoering van de werkelijkheid" bij gelegenheid van de opening der nieuwe aula (architectuur G. Rietveld) van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam.
Achter de nonsensicale titel, waarbij het woord experimenteel ook weggelaten had kunnen worden, ging namelijk een voortreffelijk werk schuil dat in de eerste plaats, wegens de belangrijke elektronische muziek van Henk Badings, voor een concertpubliek dient te worden uitgevoerd en daarna de aandacht vraagt van de literair-belangstellende, wegens de poëzie van Hans Andreus, Remco Campert, Jan G. Elburg, Gerrit Kouwenaar, Hans Lodeizen, Lucebert, Sybren Polet, Koos Schuur en Simon Vinkenoog.
Van het decor (in stijl 1925) kan men op zijn gunstigst zeggen dat het niet stoorde. De draadloos bestuurde robot, met de vele ronddraaiende vlokken, als vlaggetjes bij een padvindersdemonstratie was echter wel hinderlijk, al was het maar door de storende zoemgeluiden die het ding produceerde en die kennelijk niet bij Badings partituur pasten.
De nieuwe aula maakte overigens met zijn drukkende dakconstructie van verticale glasplaten geen sterke indruk. Wie vanaf de elfde rij omhoog kijkt ziet links en rechts stroken pakpapier met punalses tegen de zijwanden vastgeprikt, wat zelfsonstichtelijk aandoet.
Maar daarmee zijn alle zwakke punten opgesomd, alle helaas voor rekening van de Academie, die op deze wijze een vriendelijke, maar ongeschikte gastvrouw bleek voor deze manifestatie.


Toekomstverwachting
De cantate is tot stand gekomen door het samenvoegen van hedendaagse poëzie (een niet ongebruikelijk procédé van de reeds genoemde dichters. waarbij Henk Badings op verzoek van de samenstellers (Hélène Oosthoek en Jan G. Elburg) elektronische muziek componeerde.
Het verbaast ons niet dat de componist door de teksten, waardoor een duidelijke draad loopt, beginnende bij het verscheurde en gekwelde van een door dc techniek geknechte tijd en eindigende in een uit de realiteit geputte, moeizaam bevochten toekomstverwachting, zeer geinspireerd werd De introductie is, vooral in de eerste minuut, nog wat zwak en nog wat cliché-effecten, maar daarna laat Badings overtuigend horen met welk een sprongen zijn meesterschap over deze moeilijke materie is toegenomen sinds zijn ballet "Kaïn en Abel" in 1956. Hij spreekt een eigen taal in deze cantate en heeft het heterogene mengsel van klassieke vorm en elektronische klank verlaten voor een nieuwe vormgeving, die nergens anders bij past dan bij deze muziek (uitgezonderd de Sarabande en de Ragtime).
Zijn "orkest", waarvan het instrumentarium de laatste 2 jaar ook enorme verbeteringen en uitbreiding heeft ondergaan, is homogeen geworden en soms gaan er vijf minuten muziek voorbij zonder dat men een solo"instrument" of maar een bandlas kan herkennen. Als een donkere golf snelt de muziek door de ruimte, via een uitgebreide luidsprekercollectie, en geeft de eerste helft van de cantate niet zozeer dreiging en demonie (dat meent alleen het ongetrainde oor, bevreesd voor het onbekende, te bespeuren) als wel uitzichtloosheid en troosteloze leegte.
Terwijl de stemtimbres van de declamatoren André v.d. Heuvel, Hélène Oosthoek en Ramses Shaffy zich bij het verder ontplooien van de cantate beter aansluiten bij de klanken van Badings, komen via de uitgelezen poëzie meer lichtpunten naar voren; door de componist geniaal in lucide, diafane klanken opgevangen, soms als intermezzo, soms als zachte begeleiding van de spreekstem.


Nog meer toekomst
Bijzonder raak waren de reacties in de muziek op dichtregels van Syben Polet, (een soort 1 Cor: 13 uit de brieven van Paulus):
"Indien ik het geloof had van een robot en het harde geluid van een rekenmachine...",
van Lucebert:
"men mag weer zwijgzaam en wijs zijn",
van Vinkenoog: "geen dwang of zelfbeheersing, harnas, lucht of vrijheid meer van node . . ."
van Andreus:
"wantrouwen geeft ijzige moed".
Treffend is de muzikale inleiding tot poëzie van Remco Campert:
"Die wereld, waarin de maan weer is een bloem dle bloeit in de nacht..."
of van Andreus:
"Maar onze handen reiken achter sterren in de slaap".

De muziek stijgt tot ongekende hoogten van een bijna on-aardse schoonheid tegen het slot, in de Aeolische zangen I en II, bij de tekst van Kouwenaar, die constateert hoe "de wereld in een straf ruisen van water op water het huis de wanhoop ontneemt... met een gevoel van nóg meer toekomst", waarna de Apotheose-muziek iets tegenvalt, zonder dat de algemene indruk van een grootse prestatie wordt bedorven.
Zonder twijfel zal deze cantate nog vele malen uitgevoerd worden, het werk vraagt erom. Hopelijk zal dan ook de naam van de man, die de elektronische apparaten met virtuositeit ,bespeelde", B. F. Raaymakers (de goede inzet, het volume en vooral het "omlopen" der muziek hangt van hem af) in het programma vermeld worden.
De kwaliteit van de technische installatie (Philips), een uitermate belangrijk element, stond op een hoog peil.

PAUL CHR. VAN WESTERING